Roze ouderen: jezelf kunnen zijn, is voor hen niet vanzelfsprekend

01-08-2019

Roze ouderen: jezelf kunnen zijn, is voor hen niet vanzelfsprekend

Open zijn over homoseksualiteit? Voor roze ouderen is dat niet vanzelfsprekend. Ditty Smit-Van Damme, ambassadeur van Roze 50+ Zeeland, gaat verpleeghuizen en thuiszorginstellingen in Zeeland bezoeken om daar verandering in te brengen.



    We ontmoeten elkaar in Amsterdam. Ditty heeft net kennisgemaakt met de nieuwe directeur van het COC, belangenbehartiger van de LHBTI-gemeenschap. Roze 50+ is een initiatief van het COC en de ouderbond ANBO. Ditty is sinds de oprichting van de afdeling in Zeeland drie jaar geleden ambassadeur en zij zet zich in voor bewustwording van de behoeften van roze ouderen en meer bekendheid met hun levensverhaal. Haar inzet leverde haar deze zomer de onderscheiding Miss Senior Pride 2018 op. En zo voer ze op 4 augustus mee tijdens Canal Parade in Amsterdam.

    Je bent zelf getrouwd met Rob, een man. Hoe kom je bij Roze 50+ terecht?
    ‘Na mijn pensionering verveelde ik me. Ik had het wel druk met mantelzorg in de familie, maar ik miste de gekte van mijn werk als verslavingsarts. Ik las een interview met Eveline van de Putte in de krant en daarin vertelde ze over haar boek Stormachtig Stil, met verhalen van LHBTI-ouderen. Ze zocht ook ambassadeurs voor Roze 50+ om een afdeling in Zeeland op te richten. Je moest 60 zijn of ouder, affiniteit hebben met de doelgroep en een netwerk. Nou daar voldeed ik aan.’

    Roze ouderen, waarom gebruiken jullie deze term?
    ‘De officiële aanduiding is LHBTI-ouderen; Lesbisch Homoseksueel Biseksueel Transgender en Intersekse conditie. Roze refereert aan de roze driehoek, die homoseksuelen moesten dragen in de Duitse concentratiekampen. Het is één van de vragen die we stellen in onze quiz.’

    Quiz?
    ‘Om meer bewustwording te creëren hebben we een programma voor medewerkers van zorginstellingen. Daaraan kan iedereen meedoen, van vrijwilliger, tot restaurantmedewerker, van verzorgende tot technicus. We doen dan een de LHBTI-quiz, we laten filmpjes zien met roze ouderen, lezen stukjes voor uit het boek van Eveline en we gaan in gesprek met de deelnemers.’

    ‘veel roze ouderen zijn opgevoed met het idee: homoseksualiteit is zondig en vies’

    Waar maakt Roze 50+ het personeel van bewust?
    ‘Veel roze ouderen, vooral de generatie van boven de 70  hebben van jongs af aan meegekregen dat ze er niet mogen zijn. Ze komen uit een tijd dat er een taboe was op homoseksualiteit en alles wat anders was. Ze hadden geen rolmodel en er waren geen woorden voor. Ze voelden misschien dat ze anders waren, maar konden het niet plaatsen. En als er wel woorden voor waren dan was het negatief, zondig en vies. Mensen gingen trouwen in de hoop dat het dan over ging. Ook in het gezin mochten ze vaak zichzelf niet zijn.’

    In Nederland is dat inmiddels toch wel veranderd? Hoe is dat nu voor ouderen in instellingen?
    ‘Zolang er nog homo op het voetbalveld geroepen wordt, is het nodig om mensen bewust te maken. In verpleeghuizen vraag ik aan de directie: ‘Hoe loopt het hier met de roze bewoners, hoeveel zijn er en gaat het lekker?’ Dan kijken ze allemaal naar het plafond. Ze kennen ze niet en dat vinden ze zelf ook gênant. Ze moeten er zijn, want ruim 6 procent van de Nederlandse bevolking is niet hetero. En dan roept iedereen écht áltijd: Maar we hebben wel homomedewerkers en dat loopt goed.’

    Hoe kan het dat het nog een taboe is?
    ‘Ouderen denken: ‘Die jonge meiden snappen niet wat ik heb meegemaakt in mijn leven. Hoe moeilijk het is geweest. Ze beseffen niet hoe het in mijn tijd is geweest. Dat ik maar moest zeggen dat het mijn collega was, in plaats van mijn partner.’ Roze ouderen houden hun geaardheid vaak nog steeds verborgen. Daarom organiseren we deze bijeenkomsten, zodat medewerkers leren om signalen op te vangen en de bewoners zich veilig voelen om openlijk te praten over dingen die ze moeilijk vinden.’

    Zolang er nog homo op het voetbalveld geroepen wordt, is het nodig om mensen bewust te maken’

    Wat hebben ze meegemaakt?
    ‘In de verpleeghuizen worden ze geconfronteerd met mensen die hen vroeger pestten of ontsloegen. Mensen raakten hun werk kwijt als hun baas erachter kwam dat je een relatie had met iemand van hetzelfde geslacht. Ze moesten altijd afwachten hoe iemand reageerde op hun geaardheid. Toen ik pas in Utrecht woonde had ik een buurman die mij uitnodigde voor een feest. Hij zei: ‘Ik moet je wel wat zeggen Ditty, het is een ander feest dan jij gewend bent, met veel mannen.’ Ik besefte toen hoe moeilijk het is om elke keer de angst voor afwijzing te hebben.’

    Wat kunnen instellingen doen om het taboe te doorbreken?
    ‘Met kleine gebaren kun je veel bereiken. Vraag bij de intake niet of iemand getrouwd is, maar vraag of er een partner is. Hang een regenboogvlag uit op Coming Out Day, zodat je als instelling laat weten dat je oog hebt voor diversiteit en dat iedereen welkom is. Wees je bewust van signalen. Waarom is iemand eenzaam, somber, depressief? En kijk naar iemands leven: is iemand kinderloos, zijn er veel verre reizen gemaakt, is iemand een kunstverzamelaar? Ook dat kunnen signalen zijn. In een verpleeghuis was er een bewoonster die al jarenlang trouw bezoek kreeg van haar ‘buurvrouw’. Pas na haar overlijden werd duidelijk dat het haar levensgezel was. Ze had het nooit aan iemand verteld. Maar ook vaders of moeders van homo-kinderen, of grootouders van roze kleinkinderen, ook die durven er in het verpleeghuis vaak niet over te praten, bang om gepest of uitgesloten te worden.’

    ‘We geven ook nascholing aan huisartsen, lezingen bij serviceclubs, gaan pastores benaderen. Ons motto is: zonder kennis geen bewustwording!’

    Je werkte eerder als verslavingsarts met een doelgroep die het ook moeilijk had. Hoe was dat?
    ‘Ook toen zette ik me in voor bewustwording. Ik ging bij huisartsen langs om bij hen meer begrip te krijgen voor de druggebruikers. Junks vonden ze maar lastige patiënten. Ze kwamen hun afspraken niet na, probeerden altijd pillen los te krijgen. Men zag ze liever niet in hun wachtkamer. Bij minachtende opmerkingen in mijn omgeving vroeg ik altijd: stel dat het je kleindochter is of je zoon zou zijn. Hoe kijk je er dan naar? Toen ik begon bij het Huiskamerproject dachten de meeste gebruikers nog: ‘Natuurlijk kom ik eraf. Natuurlijk krijg ik een baan en kinderen’ en dat lukte dan maar zelden. Niemand kiest er voor om verslaafd door het leven te gaan. Het overkomt je, door wat voor omstandigheden ook.’

    ‘Pas toen begreep ik hoe groot de angst is afgewezen te worden, gepest of uitgesloten’

    Je bleef 24 jaar, terwijl je daarvoor veel korter hetzelfde werk deed.
    ‘Ik deed mijn werk altijd met veel plezier tot het saai werd, dan zocht ik wat anders. Het werk als verslavingsarts werd nooit saai. Ik kon daar helemaal mijn eigen ding doen. Ik kon van alles bedenken, van alles opzetten. Ik kon ze een grote bek teruggeven als dat nodig was, ik kon grappen maken. Ik moest vindingrijk zijn. Ik ging eens met groepjes voor medisch onderzoek in de trein naar het AZU. In de gesprekken wisselden de gebruikers uit wie er vast zat, in welke bajes je het beste kon zitten en waar je goede wiet kon krijgen. De andere reizigers lieten hun krantje zakken en je zag ze denken ‘wat is dit?’ Ik regelde een subsidie, zodat ik onderweg een colaatje en een patatje kon kopen voor het gezelschap.’

    Je stapte over van het laboratorium naar de verpleging. Hoe kwam je daar terecht?
    ‘Op het laboratorium voor Microbiologie van de Rijksuniversiteit hadden we altijd dolle pret en het was er vaak feest met al die promoties. Maar ziekte en dood dat kende ik niet. Ik dacht: stel dat ik morgen voor onze lieve heer sta en hij vraagt wat ik met mijn leven heb gedaan en ik zeg: ja, ik heb wat met stafylokokken zitten spelen en hij vraagt: en was het interessant? Dat was het moment waarop ik besloot de verpleging in te gaan.’

    ‘Jaren later kwam ik weer terug op het AZU-lab. Ze wilden me graag houden, maar ik hoor mezelf nog piepend zeggen dat ik daar echt geen vijftien jaar kon blijven. Ik moest wel een uitdaging blijven houden. Dat was ook de plek waar collega’s me stimuleerden om Geneeskunde te gaan studeren. Ik dacht: ik zie wel en ik werd meteen ingeloot.’ 

    Je straalt veel bevlogenheid en gedrevenheid uit. Waar komt dat vandaan?
    ‘Ik heb altijd kunnen zijn wie ik ben. Ik heb mijn hele leven kunnen doen wat ik wil en kunnen zeggen wat ik vind dat ik moet zeggen. Dat gun ik iedereen. Ik wil bewustwording creëren. Nu van diversiteit. Van liefde in alle kleuren van de regenboog.’

    Tekst: Esther Krista Bos, foto’s: Janita Sassen

    Delen op social-media: